In het kader van het Beleidsondersteunend onderzoek thema ‘Nationaal Kennisprogramma Stikstof (NKS)’, en gesubsidieerd door het Ministerie van LVVN, zijn door Wageningen Livestock Research (WLR) en het Vlaamse Instituut voor Landbouw- Visserij en Voedingsonderzoek (ILVO) metingen op vier melkveelocaties in Vlaanderen uitgevoerd om de ammoniakemissie uit gangbare Vlaamse ligboxenstallen voor melkvee te bepalen.
In dit rapport worden de resultaten gepresenteerd van de metingen die door WLR in de periode november 2022 - oktober 2024 op vier melkveelocaties in Vlaanderen zijn uitgevoerd. In deze periode zijn op alle vier melkveelocaties de emissies van NH3 en op drie van de vier meetlocaties de emissies van CH4 continue (met sensormeetsystemen) gemeten. Daarnaast zijn op alle vier melkveelocaties elke twee maanden metingen met standaard referentie methoden (SRM; ‘SRM-metingen’) uitgevoerd. De emissies zijn voor zowel de continue- als voor de SRM-metingen volgens de tracergas ratiomethode bepaald met CO2 als door dier en mest geproduceerde tracergas. De metingen zijn volgens het huidige ammoniakmeetprotocol evenredig over het jaar verdeeld.
Naast het vaststellen van emissieniveaus van melkveestallen werd uit deze metingen ook informatie verkregen over onder andere de mate van variatie in emissies binnen en tussen bedrijven, en de mate van samenhang tussen de gemeten emissies en een aantal management- en omgevingsfactoren. Daarnaast is gekeken naar de mogelijkheid om bedrijfsmonitoring met behulp van continue metingen met sensoren toe te passen voor het bepalen van emissies op jaarbasis.
Op alle vier locaties (en voor zowel de continue als voor de SRM-metingen) is voor de gehele meetperiode aan de landbouwkundige randvoorwaarden voldaan wat betreft diersamenstelling (aandeel droogstaande koeien en aandeel jongvee ten opzichte van het som van melkgevende en droogstaande koeien) en CO2 stalluchtconcentratie. Gemiddeld over alle dagen voldeed de bezettingsgraad in geen van de vier locaties aan de voorwaarde dat het aantal dieren niet meer dan 10% mag afwijken van het aantal dierplaatsen (oftewel ligboxen). Bij één locatie was een duidelijke onderbezetting geconstateerd, bij de resterende drie meetlocaties juist een duidelijke overbezetting.
Op basis van de continue metingen en gemiddeld over de gehele meetperiode voldeden alle vier locaties aan de landbouwkundige randvoorwaarden voor de melkproductie (minimaal 25 kg/dier/dag). Alleen twee van de locaties voldeden over de gehele meetperiode aan deze voorwaarde. Eén van de meetlocaties voldeed over het algemeen ook aan de voorwaarde voor melkproductie (alleen in maximaal 4% van de meetdagen is hier niet aan voldaan). Bij één meetlocatie was de melkproductie in 15% van de meetdagen lager dan 25 kg/dier/dag. Bij de SRM-metingen werd op slechts één meting aan de randvoorwaarde voor melkproductie (net) niet voldaan.
Alle vier meetlocaties voldeden aan de randvoorwaarde van het Nederlandse ammoniakprotocol dat het rantsoen (of drogestof basis) voor minimaal 50% uit ruwvoer en een ruweiwitgehalte van 160 g RE per kg droge stof (DS) moet bestaan, of dat het melkureumgehalte minimaal 15 mg/100g moet zijn. Bij drie meetlocaties werd gedurende de gehele meetperiode aan de randvoorwaarde voor melkureumgehalte
voldaan, bij één meetlocatie werd in 7% van de meetdagen niet aan deze voorwaarde voldaan. Alle SRM metingen voldeden aan de randvoorwaarde voor melkureumgehalte.
Op basis van alle meetgegevens (continue metingen) waren de emissies van NH3 en CH4 op jaarbasis (gemiddelde over alle bedrijven ± standaarddeviatie tussen bedrijven) respectievelijk 22,2 ± 5,2 kg NH3/jaar/dierplaats en 357 ± 81 kg CH4/jaar/dier. Op basis van de SRM-metingen waren de emissies van NH3 en CH4 op jaarbasis respectievelijk 23,5 ± 3,9 kg NH3/jaar/dierplaats en 351 ± 34 kg CH4/jaar/dier. De verschillen tussen SRM- en continue metingen waren niet significant. De spreiding in de resultaten binnen- en tussenbedrijven was groot.
De NH3-emissie was, na standaardisatie voor buitentemperatuur, melkureumgehalte en loopoppervlakte zoals toegepast wordt in het Nederlandse ammoniakprotocol (Ogink e.a., 2017), 18,0 ± 3,4 kg NH3 per dierplaats per jaar op basis van de continue metingen, en 19,0 ± 2,7 kg NH3 per dierplaats per jaar op basis van de SRM-metingen. Daarbij moet tevens opgemerkt worden dat de meetlocaties waar de metingen in onderhavig onderzoek zijn uitgevoerd, een grote overbezetting hadden (gemiddeld 14% over alle vier meetlocaties).
In dit rapport wordt een nieuwe parameter voorgesteld om meegenomen te worden in de standaardisatie van de NH3-emissies, namelijk het ventilatiedebiet. Wanneer gebruikt wordt gemaakt van de in dit rapport voorgestelde standaardisatie naar debiet voor de NH3-emissies, komen de berekende waarden uit op gemiddeld 13,6 en 13,9 kg NH3 per dierplaats voor respectievelijk continue en SRM-metingen. Deze waarden verschillen niet significant van de huidige emissiefactoren in Nederland.
Op basis van de resultaten in dit onderzoek wordt aanbevolen om extra onderzoek te doen om antwoord te kunnen geven op de volgende vragen:
- Zijn de huidige standaardniveaus nog van toepassing voor de huidige praktijk, of dienen deze factoren aangepast te worden? Zo ja, met welke regelmaat (jaarlijks, elke vijf jaar,…) dienen de standaardniveaus opnieuw te worden vastgelegd?
- Is een standaardisatie voor ventilatiedebiet gewenst? Zo ja, kan die standaardisatie voor ventilatiedebiet toegepast worden voor alle melkveelocaties, of is die afhankelijk van locatie en/of systeem? En welk ventilatiedebiet dient gebruikt te worden om de waarden te standaardiseren?
- Welke factoren zouden gebruikt kunnen worden om verschillen in CH4-emissieniveaus te verklaren? En is het mogelijk om, op basis van deze factoren, CH4-emissies te standaardiseren op een vergelijkbare wijze als voor NH3?
