Klachten geurhinder?

Geuremissie door varkensstallen

De geuremissies door varkensstallen kent, na een stabiele periode in 2006-2009, opnieuw een stijgend verloop. De trend volgt deze van het totaal aantal varkens. De varkensstapel telt in 2011 6,15 miljoen varkens. Deze varkens samen stoten zo’n 5 353 x 1012 Europese geureenheden (OUE) uit (*). Bekijken we het aandeel van de verschillende soorten varkens in de totale geuremissie in Vlaanderen, dan blijkt dat de geur vooral afkomstig is van de groep vleesvarkens. Deze veroorzaken 71 % van de emissie in 2011. Dit komt door hun grote aantal t.o.v. de andere varkens. Hun emissiefactor zelf ligt lager dan deze van fokzeugen.

Geuremissie van de varkensstapel (Vlaanderen, 2002-2012)
Bron: MIRA op basis van landbouwtellingen (2012)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geregistreerde geurhinderklachten

Hinderklachten geven een ander beeld dan de andere indicatoren die de hinder in beeld brengen. Klachten bezitten steeds een subjectieve factor wat niet het geval is bij berekende indicatoren zoals geurbelast oppervlak en potentiële hinder. Het indienen van een klacht is niet rechtstreeks gecorreleerd met de omvang van de hinder of de frequentie van geurwaarneming. Het aantal activiteiten waarover geklaagd wordt, kan naast het hindergevoel ook beïnvloed worden door een aantal andere factoren, zoals het mondiger worden van de bevolking, de grotere aandacht voor de problematiek, een verbeterde registratie van de klachten door de bevoegde overheidsdienst, de bekendheid van het meldpunt … Anderzijds is de drempel om een klacht neer te leggen groter dan bij het rapporteren van hinder via een enquête (de gerapporteerde hinder).

Milieuklachtenregistratie en opvolgsysteem (MKROS)

Sinds 2006 registeren verschillende gemeentelijke milieudiensten in Vlaanderen meldingen van milieuhinder in een milieuklachtenregistratie- en opvolgingsysteem (MKROS). Het aantal deelnemende gemeenten verschilt van jaar tot jaar. De verschillen tussen de onderlinge jaren kunnen het gevolg zijn van een wisselend aantal rapporterende gemeenten veeleer dan verschillen in effectieve geurhinder.

Het aandeel van de verschillende bronnen is over de verschillende jaren heen vrij gelijk verdeeld. Ongeveer de helft van het aantal klachten gaan over geurhinder veroorzaakt door de industrie. Daarnaast zijn ook buren (huishoudens) vaak de oorzaak van geurhinder, met iets meer dan een klacht op vijf. Aangezien geurhinderklachten door buren vaak bij politiediensten worden aangegeven en deze niet meegenomen zijn in de cijfers, zal het aandeel van deze bron in realiteit wellicht hoger liggen. Hinder door landbouw neemt 6 à 7% van de klachten in.

Om een algemeen beeld van de geurhinder in Vlaanderen te krijgen, moeten ook de klachten van burgers bij andere diensten zoals milieu-inspectie en politiediensten, meegenomen worden. Deze databanken zijn echter nog niet gekoppeld.

Geregistreerde geurhinderklachten bij gemeenten (Vlaanderen 2006-2011)
Bron: LNE, MKROS

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geregistreerde milieuhinderklachten bij milieu-inspectie

De dienst milieu-inspectie behandelt klachten over klasse-1 bedrijven die milieuhinder veroorzaken, of over klasse-2 en klasse-3 bedrijven die zware milieuhinder veroorzaken en bij klachten waar de lokale overheid niet optreedt. Deze dienst rapporteert jaarlijks de klachten die zij ontvangen in de milieuhandhavingsrapporten. Het aantal ontvangen klachten die bij de milieu-inspectie aankomt is niet representatief voor het totaal aantal klachten van hinder in Vlaanderen, want een heel aantal klachten (nl. deze die zij niet behandelen) komt meestal niet bij hen terecht. Dit aantal is dus eerder indicatief. In de periode 2001-2010 is er eerder een stijgend verloop van het aantal klachten bij de dienst milieu-inspectie.

Ontvangen geurhinderklachten bij milieuinspectie (Vlaanderen, 2001-2010)
Bron: handhavingsrapporten MI

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geregistreerde geurhinderklachten en de omzendbrief rond geur

Sinds 1 september 2012 is de omzendbrief rond geur van kracht. Het doel van de omzendbrief is om technisch en economisch haalbare alternatieve systemen ter beperking van de geuremissie bij bestaande varkens- en pluimveestallen op te lijsten. De lijst met mogelijke maatregelen vormt een leidraad voor de vergunningverlenende overheid op het moment van (her)vergunning wanneer op basis van klachten in het verleden of tijdens het openbaar onderzoek wordt geoordeeld dat sprake is van onaanvaardbare hinder. Vlaams parlementslid Els Kindt (CD&V) wou van minister Schauvliege weten om hoeveel bedrijven het juist gaat, hoe klachten voor geurhinder beoordeeld worden en wat de implicaties zijn voor die bedrijven.

Sinds begin 2012 ontving de afdeling Milieu-inspectie 110 klachten over in totaal 48 landbouwbedrijven. “Van een aantal klachten over geurhinder is nog niet uitgemaakt of ze gegrond zijn of niet. Het is niet omdat ze ingediend zijn, dat ze ook terecht zijn”, verduidelijkt minister Schauvliege. De beoordeling van de klachten gebeurt in de eerste plaats door de adviesinstantie die de behandeling van de vergunningsaanvraag moet doen. Finaal is het de vergunningverlenende overheid die de beslissing neemt.

De minister geeft toe dat nooit valt uit te sluiten dat de beoordeling van een klacht of vergunningsaanvraagdossier ook op een aantal subjectieve aspecten berust. Om dat zoveel mogelijk te vermijden, zijn er twee maatregelen genomen. “In de omzendbrief staat duidelijk dat elementen als de gebiedsbestemming, de door de landbouwer genomen of vooropgestelde maatregelen, de afstand tot de klager en de vaststellingen die gebeurd zijn, mee in rekening moeten worden gebracht”, klinkt het.

In tweede instantie moet de tussenkomst van de milieuvergunningscommissie helpen voorkomen dat de beoordeling van de klacht en het aanvraagdossier op subjectieve wijze gebeurt. “De manier waarop het openbaar onderzoek georganiseerd is, maakt het mogelijk dat derden hun recht op inspraak over de betreffende exploitatie uitoefenen. Of die opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek uitgebracht worden, gegrond zijn, wordt nadien onderzocht door de adviesinstanties en finaal ook door de vergunningverlenende overheid”, aldus Schauvliege.

Wanneer uitgemaakt is dat een klacht gegrond is, wordt het bedrijf aangemaand om aanpassingen te doen aan de infrastructuur of de manier van werken. “Het is evenwel niet altijd eenduidig te bepalen wat juist de financiële impact is van zo’n aanpassing. De maatregelen die moeten genomen worden, verschillen enorm van bedrijf tot bedrijf”, zegt de minister. Ze wijst erop dat in de omzendbrief een aantal maatregelen staan die in eerste instantie kunnen genomen worden. “Die zijn relatief eenvoudig en een haalbare ‘good housekeeping’.”

Pas als deze ingrepen niet toereikend zijn, worden er extra maatregelen opgelegd. “Een afweging per geval is daarbij noodzakelijk en er moet ook rekening worden gehouden met de technische en uiteraard ook met de economische haalbaarheid ervan. Het type bedrijfsvoering is belangrijk, net als de beschikbare ruimte rond de stallen en uiteraard ook de ligging en het bestemmingsgebied”, legt Schauvliege uit.

De minister gaat ervan uit dat het aantal klachten over geurhinder tijdens het openbaar onderzoek niet zal stijgen omdat er een omzendbrief is die een betere beoordeling van die klachten voor ogen heeft. “De omzendbrief is dus gericht op meer zekerheid voor de landbouwers, groot of klein, ook bij de behandeling van hun vergunningsaanvraag. Dit nieuwe kader zorgt voor een uniformer beoordelingssysteem voor de milieuvergunningen en klachtenbeoordeling. De brief bevat heel wat maatregelen die effectief helpen om de geurhinder te beperken zonder al te grote financiële kosten. Als extra maatregelen nodig zijn, zijn die inderdaad ten koste van wie de aanvraag doet. Er wordt steeds rekening gehouden met de economische haalbaarheid ervan voor de landbouwer.”

 

(*)De geuremissie van een bron kan uitgedrukt worden in geureenheden. Deze geureenheden zijn een maat voor een bepaalde hoeveelheid van een gasvormige stof of een mengsel van gasvormige stoffen verdeeld over 1 m³ lucht, die door de helft van een panel van waarnemers wordt onderscheiden van geurvrije lucht. Dit wordt vaak op jaarbasis uitgedrukt in ouE (European odour units) per jaar (ouE/j). Deze eenheden kunnen samengeteld worden voor alle bronnen. Bij bronnen behorende tot een homogene sector kan de geuremissie bepaald worden aan de hand van geuremissiefactoren m.b.v. de productiegegevens. Op basis van de geuremissie kan het geurbelast oppervlak en het aandeel van de bevolking dat potentieel gehinderd wordt, berekend worden.

Deze indicator schat de geuremissie door varkensstallen in op basis van geuremissiefactoren. Varkensstallen zijn immers een homogene sector. Deze inschatting gaat uit van een standaard varkensstal en houdt geen rekening met eventuele emissiereducerende maatregelen van de stallen. Volgende invloedsfactoren zijn van belang voor de geuremissie van stallen: voeder, diercategorie, stalinrichting, stalklimaat, mest en beheer van de stal.

 

Bron: www.milieurapport.be, VILT.be